Ik sjouw al zo’n lang leven door de binnenstad en eigenlijk weet ik er zo weinig vanaf. Daarom ben ik altijd blij als een deskundige mij een beetje wil bijspijkeren. Deze maand dienden zich maar liefst drie deskundigen aan.
Kloosters in Amsterdam
Op verzoek van stadsdorp Buurt Zeven hield Jos Pierik in de Westerkerk een uitzonderlijk goedbezochte lezing over de snelle opkomst en ondergang van eenentwintig kloosters tussen 1389 en 1585. Bedenk hierbij dat het bij zestien van die eenentwintig ordes om vrouwenkloosters ging, en je krijgt een idee van de betekenis van een vrouwenleven in die tijd. Pieriks onderzoek resulteerde in een boekuitgave. Verwar hem overigens niet met Bob Pierik van het smakelijk tot publieksuitgave omgewerkte proefschrift ‘Zo veel leven voor de deur’ – overigens wel degelijk een verre verwant.
Water in Amsterdam
Enkele dagen na Pierik kwamen twee specialisten van Waternet op verzoek van stadsdorp Gracht en Straatjes naar de Keizersgrachtkerk: Maarten Ouboter en Wilko Koning bespraken de situatie van het water in Amsterdam. De stijgende zeespiegel is een angstbeeld, maar Ouboter trapte af met een fijne relativering: we wonen hier op een terp(je), de boezem: de Amsterdamse binnenstad als boezemstad. Deze sprekers hielden ons moeiteloos op het puntje van onze stoel – helemaal toen Wilko Koning opnames liet zien van een prachtig gemetselde, metersdiepe waterkelder die, onzichtbaar voor ons, al sinds de achttiende eeuw onder de Noordermarkt ligt: een waterbuffer, bewijs van het verantwoordelijkheidsgevoel van stadsbestuurders van toen. Maar met alle bewegingen van het water in de woorden van deze sprekers werd me duidelijk dat ik voor een beter begrip hiervan toch wat beter had moeten opletten, vroeger in de aardrijkskundeles.
Walenweeshuis
De derde lezing gaf Walter Schoonenberg (VVAB), ook op die laatste locatie. Hij sprak weer met grote deskundigheid over de toekomst van het zichtbaar zieltogende Walenweeshuis (v/h Maison Descartes), maar die datum viel helaas buiten het tijdsbestek van deze nieuwsbrief. Er zijn echter concrete plannen voor een kantorenbestemming in dit complex en als de Welstandscommissie instemt zullen we er, na een fikse impasse, binnenkort beslist meer van horen.
Waar is de rode draad eigenlijk?
Middeleeuwse kloosters en een hedendaagse stedelijke waterhuishouding: hoe breng ik zulke ongelijksoortige onderwerpen in één verslagje? Laten we voor het gemak maar een Venn-diagrammetje maken, dan zien we in ieder geval wat onderlinge raakvlakken.
Het eerste raakvlak. Bij Maarten Ouboter spat de verontwaardiging eraf als hij spreekt over ondernemers die woningen bouwen onder NAP, zoals in de Houthavens en de Watergraafsmeer is gebeurd – met het risico van onderlopen voor de huiseigenaars. Maar hé, deden de middeleeuwse kloosterorden niet precies hetzelfde? Die nestelden zich rond de burgwallen en de Nes. Weliswaar was het wel wat drassig daar, maar ach, die grondprijs was zo lekker laag. In die tijd was de Amstel nog twee keer zo breed, 150 meter. Pierik: ‘Het water van de Amstel klotste tegen de kloostermuren.’
Het tweede raakvlak. Net als wij waren ook middeleeuwers dorstig. Ze dronken hemelwater, zoet water van buiten de stad of water uit al dan niet vervuilde putten. Dit alles dus niet zonder risico: vervuiling lag altijd op de loer. In de kloosters werd bier voor eigen gebruik gebrouwen: het beetje alcohol verminderde de kans op ziektes al. Ouboter geeft aan dat het waterverbruik per burger ooit op vier liter per dag lag. Vandaag de dag gaat de waterconsumptie richting 160 liter per hoofd per dag. Zo’n getal maakt natuurlijk nieuwsgierig. Lees het vooral na op de site van Waternet en bedenk dat hierin het waterverbruik voor je kleding, voedsel, je dagelijkse ai-consumptie en wat niet al niet inbegrepen zit.
Detail van een overzichtskaaart van choleradoden in vijftig Amsterdamse buurten. Kaart door G.L.A. Amand, 1867 (Stadsarchief)
Geld
Een derde raakvlak: inkomsten. Toen Amsterdam in 1853 een duinwaterleiding had aangelegd, via een buizensysteem analoog aan de gasdistributie, bleek deze een sterk wapen tegen nieuwe cholera-uitbraken. Aanvankelijk was dit duinwater ook per emmer te koop op een aantal openbare tappunten. Die hoeveelheid kostte de Amsterdammer toen één cent. Vandaag kost diezelfde hoeveelheid, aldus Ouboter, twee cent…Tja, vandaar ook zijn verzuchting dat de waterschapsbelasting maar flink omhoog moet en snel ook – logisch, er zal een stevige buffer nodig zijn om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen.
Ook kloosters zochten naar inkomsten. Het begon ermee dat de intreder zijn eigen vermogen moest afdragen. Daarnaast haalde de orde inkomsten uit ziekenzorg, weven, fruitteelt en dergelijke. Sommige kloosters waren succesvoller in het aantrekken van geld dan andere. De Karthuizers in de Jordaan – destijds nog buiten de stadsmuren – deden het uitzonderlijk goed, aldus Pierik. Maar ook de Cellezusters van de Oudezijds Achterburgwal werden steeds machtiger. Alleen – rijke, machtige kloosters, daar moest het stadsbestuur helemaal niets van hebben. Zo is in een van Pieriks bronnen (stadschroniqueur Jan Wagenaar, 1760) na te lezen hoe de stad het gilde van timmerlieden en metselaars categorisch verbood om ooit iets te repareren of te verbouwen aan het klooster van de cellezusters – gewoon een pesterijtje. Uiteindelijk maakte de Alteratie een bruusk eind aan alle kloosters in de stad. Wat een drama, waar moesten al die introverte zusters en broeders hun rust toen vinden…
Pieriks grote troef zijn ongetwijfeld de rijkgedetailleerde portretten van kloostergebouwen in hun naaste omgeving die hij op basis van zijn studie naar (kadaster)kaarten tot stand heeft kunnen brengen. De opstandjes die hij uit zijn materiaal afleidde heeft zijn broer Clemens vervolmaakt tot volwaardige aanzichttekeningen in pasteltinten.
Dit typeert dan ook meteen het grote contrast tussen beide presentaties. Pierik hield zijn historisch overzicht vrij van emoties, bij team-Waternet konden die juist ieder moment de kop opsteken. Weliswaar trachtte Ouboter, zoals hij al zelf zei, ‘hel-en-verdoemenispreken’ te vermijden, maar de prediker in hem wil gewoon ook zijn zegje doen. En onze waterhuishouding geeft hem, in combinatie met de klimaatverandering, alle aanleiding: het inklinken van de Amsterdamse bodem, de enorme schade aan wegen en gebouwen die dit oplevert, de voertuigen die misschien wel wat groener worden, maar ook steeds zwaarder. Ondertussen bedreigen de gortdroge zomers (2018, 2022, 2026) de drinkwatervoorraad en licht verzilting op de loer – en zo kan prediker doorgaan. De lijst van bedreigingen ilijkt onbeperkt, dit stukje is er te kort voor.
En nog meer geld
Maar de herinnering aan deze gedenkwaardige presentatie was nog niet verbleekt, toen het kabinet een opsteker voor onze nationale veiligheid meldde: 2,3 miljard euro is gereserveerd voor vernieuwing van het spui- en gemaalcomplex IJmuiden, waar onze Amsterdamse waterhuishouding nauw mee verbonden is.
Koosje Sierman
oktober 2026